|

Maandag 25 juli
We stonden vroeg op. Om elf uur zaten we al bij de kapper, vlakbij het Gülhane -
park. Het was een piepkleine kapsalon, met zes kooitjes met kanaries aan de
muren. Een echte, vriendelijke kleine neringdoende en ook nog vakbekwaam. Jos
werd geschoren en geknipt, Clim alleen het laatste. De “kauför” was heel
voorkomend en beleefd. Hij kwam uit de streek rond Zonguldak en adviseerde ons
naar het daarbij gelegen Turkse Capri aan de Zwarte Zee te gaan. Na een uurtje
was hij klaar, hij vroeg iets meer dan een tientje voor zijn werk.
Op het station ging Jos inlichtingen inwinnen over het eventueel reserveren van
plaatsen voor de terugreis. Dat ging echter niet van een leien dakje, want
hiervoor moest hij zijn paspoort tonen. Hij maakte zwaar beledigd wat kabaal,
wendde zich tot de omstanders (in het Turks: Ik ben dief, bandiet noch
terrorist! Wat meent die ambtenaar wel, hij is toch geen politieagent!) en liet
toen de lokettist voor wat hij was. (Namelijk een ondergeschikte die ook maar
bevelen van zijn superieuren opvolgt. Foei Jos, je had zijn chèf moeten
afsnauwen...)
Tussen twee en drie bezochten we de overdekte Bazaar, een van de toeristische
trekpleisters van Istanbul. Het is een drukke markt, gevestigd in een wirwar,
een labyrint van steegjes en straatjes. De verkoopmethoden zijn er agressief. Je
kunt er letterlijk alles aanschaffen, vooral op gebied van edele metalen,
sieraden en tapijten. We zagen slechts een gedeelte, om alles te bekijken is een
ondoenlijke zaak. Terwijl we een broodje "döner kebab"met een fles bier tot ons
namen, bemerkten we pas dat alle producten ter plekke gefabriceerd werden.
Nieuwsgierig gingen we op onderzoek uit. We kwamen terecht in een soort
achterhof waar tientallen werkplaatsen op uitkwamen.
 |
 |
Hier slenterden geen verwende toeristen, maar werd twaalf uur per dag voor een
karig loon noest gearbeid. De nijvere ambachtslieden waren zo gastvrij ons op de
thee te nodigen; ook betraden we een zilversmidse in vol bedrijf. Een
interessante ervaring, die Clim aanzette tot allerlei economische gedachten
aangaande de kleinschalige organisatie en zijn voordelen. In de bazaar kochten
we nog wat speelgoed voor onze neefjes en nichtjes.
De Universiteit was ons volgende doel. Hier was het erg rustig en koel in de
schemering van de bomen. Volgens Clim waren alle studenten ter wereld hetzelfde.
Ook hier liepen ze in groepjes discussiërend rond. We maakten een foto van de
torens bij de ingang. Daar lag nog een moskee die we ook met een bezoek
vereerden. Op het voorplein kocht Jos wat zaad van een gesluierd besje en voerde
de brutale duiven. Er liepen ook waterverkopers in typische Turkse klederdracht
rond en, zoals overal in Turkije, zwermen jonge schoenpoetsertjes boden er hun
povere diensten aan, trots op hun miserabel materiaal.
 |
 |
Om half vijf namen we een taxi richting autobusstation, dat een kilometer of
drie verderop juist buiten de oude stadswallen gelegen was. Hier waren honderden
bussen en taxi‘s verzameld. We reserveerden een enkel reisje naar Zonguldak voor
de volgende dag. Prijs: 850 lira, iets meer dan een tientje per persoon. Op een
terrasje bestelden we limo, een sjiek geklede Turkse gentleman sprak ons aan in
het Nederlands met de vraag of hij ons ergens mee van dienst kon zijn. We
sloegen zijn aanbod af. Waarschijnlijk zal deze Turk in Nederland wel bij het
onderwijs of welzijnswerk een job hebben. Jos kende het type. Een dolmuş bracht
ons voor een kwartje weer terug naar het hotel.
Na een kort dutje slaakte Jos een Indianenkreet en toverde zijn verloren
gewaande beurs te voorschijn. Hij had deze in gedachten verzonken twee dagen
eerder onder zijn matras verstopt en was dit totaal vergeten. In goede stemming
gingen we in de vooravond "iskembe" eten. Dit gerecht noemen we in het
Nederlands pens. Clim at toch liever lever, Jos lepelde onverstoorbaar zijn
bordje penssoep op. Het lokaal was bezwangerd met een penetrante, onwelriekende
geur die verdacht veel op urinestank leek.
Na deze zeker voor Clim onaangename ervaring richtten we onze schreden naar het
Aya Sophia - plein, waar we een drietal drankgelegenheden afstroopten: ons
stamkroegje, de loggia-herberg en Café Sultan waar Tuborg verkrijgbaar was. Om
elf uur sloot de zaak. In de verte op het plein zagen we nog net Lucia en Julio
(het paartje uit de trein) voorbijgaan. Aan een stalletje sloegen we op de
valreep nog wat flessen bier in. Op ons gemak bekeken we een oude orthodoxe
Moslim met vier in het zwart geklede en gesluierde vrouwen. De gebaarde
grijsaard was waarschijnlijk rijk genoeg om een taxi te kunnen betalen, maar hij
stond met zijn aanhang op de bus te wachten. De Turken zijn over het algemeen
niet te spreken over die halve Arabische rijken. Ze gaan daar door voor vrekkig
en inhalerig.
 |
 |
In het hotel zegden we op, betaalden alvast onze rekening, namen onze
waardepapieren, geld en paspoorten die we in deposito hadden gegeven in
ontvangst en verzochten de receptionist, c.q. nachtportier ons om 8 uur te
wekken. Eenmaal boven viel het licht weer eens uit.


|