|
|
|
|
|
|
|
In Trieste aangekomen bevind ik me weer op Italiaans grondgebied. Ik hoef maar
een half uur te wachten om een trein naar Mestre (een voorstad van Venetië) te
halen. De treinreis duurt net als de busreis 2 ½ uur. In de buurt van het
station zoek ik een hotel. Enkele keren vang ik bot, onder andere bij een hotel
met een Chinese eigenaar die me bijzonder grof bejegent na mijn weigering om 50
euro voor een eenpersoonskamer zonder bad en toilet te betalen. Uiteindelijk
tref ik bij Hotel Trieste schuin tegenover het station (daar heb ik dus wel
alles bij de hand, “handig” dus) een welwillende receptionist (hij spreekt
Engels!) die me een kleine, maar uiterst comfortabele kamer met perfect sanitair
aanbiedt. Ik hap toe, hoewel de prijs eigenlijk te hoog is: € 70 per nacht. Maar allez, we zitten vlak bij Venetië, een van de toeristische topattracties van de
hele wereld, dus wat klagen we eigenlijk? Voor ik na een hele reisdag ga slapen
maak ik nog een verfrissende avondwandeling in de regen, gewapend met paraplu
natuurlijk.
LANGDURIGE PLENSBUIENHet ontbijt valt tegen, hoewel er een grote keuze aan allerlei zoetigheid en soort brood is, ontbreekt hier vlees en kaas. De koffie is gelukkig uit de kunst en de bediening heel professioneel. Buiten regent het dat het giet. Ik had vandaag eigenlijk naar de universiteitsstad Bologna gewild, maar dat feest gaat dus mooi niet door. Ik blijf zo lang mogelijk op mijn kamer hangen in de hoop dat het droog wordt. Als de poetsvrouwen verschijnen, verlaat ik met tegenzin mijn kamer en duik, uitgerust met regenjas en paraplu, de stad in. Urenlang zit ik in cafeetjes en cafetaria’s, terwijl buiten de regen gestaag neervalt. Ik koop een groot aantal kaarten van Venetië, die zijn hier uitzonderlijk mooi. Ik specialiseer me op foto’s van Carnavales met mooie maskers en fraaie kostuums.
’s Middags eet ik warm in het grote zelfbedieningsrestaurant BREK. Dat ziet er
prima uit, vergelijkbaar met het overvloedige aanbod in de arbeidersclub van dat
Australische mijnwerkersstadje (naam vergeten). Als ik er de volgende dag
terugkom om van andere aantrekkelijk uitgestalde spijzen te genieten is het
vanwege Nieuwjaarsdag gesloten. Pech gehad. De rest van de stad breng ik lezend
in Nicci French’s “De Rode Kamer” door op mijn kamer. Ook wandel ik naar het
station om de treinenloop te bestuderen en eventueel buitenlandse kranten op de
kop te tikken.
![]() |
![]() |
![]() |
Het is Oudejaarsavond, dus is er veel vertier op de televisie. Ik krijg alleen
plaatselijke en nationale zenders door. Al overschakelend tussen Rai Uno, Due en
Tre bekijk ik quizzen en spektakel shows. De vrouwen die erin rondlopen zijn
allen bijzonder rondborstig en behoorlijk schaars gekleed. Het vuurwerk buiten
boven de nachtelijke sky line van Mestre is teleurstellend.
![]() |
![]() |
![]() |
Na anderhalve dag voortdurende regenval is het eindelijk droog geworden. Binnen een half uur ben ik met de trein in Venetië. Ik ben van plan om te voet de hele stad zo veel mogelijk te doorkruisen, per slot van rekening heb ik de vorige dag noodgedwongen maar wat geluiwammest. Alleen de verst afgelegen plaatsen in de stad laat ik links liggen; meestal betreft dan het wijken of bezienswaardigheden die ik al met Clim (in 1999) of Jos M. (in 1981) heb bezichtigd. In de afgelegen buitenwijken is het heerlijk rustig. Ik probeer mooie foto-opnames te maken, maar achteraf vallen de resultaten toch tegen: het weer was ondanks een waterig zonnetje blijkbaar niet optimaal voor fraaie prints. De bekende toeristische plekjes (San Marco – plein, Rialto – brug) worden overspoeld door bezoekers uit binnen- en buitenland. Opnieuw valt me op hoeveel Afrikanen hier hun armzalige spulletjes trachten te verkopen. Hun koopwaar hebben ze op de stoep te kijk neergezet. Chinezen zijn er ook trouwens. Ze zijn overwegend actief in winkels in grote steden waar alle mogelijke zaken tegen sterk gereduceerde prijzen aangeboden worden. Vooral de importartikelen uit China zelf gaan weg tegen absolute bodemprijzen. De kwaliteit is uiterst bedroevend, onder andere veel minderwaardig plastic en andere kunststoffen. In deze winkels bestaat de klandizie vooral uit hele horden Slovenen, Kroaten en Serviërs die er met een eendaagse excursie spotgoedkoop boodschappen komen doen. Ik zelf koop er een paar broeken voor binnen.
![]() |
![]() |
In schrille tegenstelling tot de prijzen bij de Chinese winkels zijn die van consumpties op de terrassen in het oude centrum. Ze liggen over het algemeen twee maal zo hoog als in de normale horecazaken in Italië. De vele bescheiden Japanners en luidruchtige Amerikanen die er rondstappen betalen echter grif. Voor dat soort toeristen speelt geld kennelijk geen rol. Langdurig blijf ik hangen in de ietwat achterafwijken Dorsoduro, Canalreggio, San Paolo en Santa Croce. Af en toe raak ik de weg kwijt, maar echt verdwalen kun je hier natuurlijk niet. Ik ga steeg in, steeg uit, af en toe lopen die dood en moet ik omkeren. In die wijken valt me pas goed op hoeveel verschillende kunststijlen er in de architectuur zijn vertegenwoordigd.
![]() |
![]() |
Als ik om half vijf de trein terug neem, ben ik moe. Ik heb bovendien blaren onder mijn voeten en voel een knagende pijn in mijn lendenen: gevolgen van zeker vijftien kilometer lopen zonder enige noemenswaardige pauze. De lunch heb ik namelijk overgeslagen, ik heb onderweg alleen een broodje gegeten. Ik blijf in Mestre een tijdje gebiologeerd staan kijken en luisteren hoe een Engels sprekende Maleisische Chinees de prijs van een Murano – vaas vakkundig omlaag onderhandelt van € 150 tot € 110. Ik heb regelrecht bewondering voor hem. De Italiaanse verkoper ook trouwens. In mijn hotel maak ik kennis met een Amerikaanse studente uit Berkeley. Zij is onlangs ‘graduated’ en doet de ‘Grand Tour in Europe’ voor zij bij een bedrijf aan de slag gaat. Een echte Amerikaanse, een beetje naïef en oppervlakkig openhartig, maar wel aardig hoor. Zij vindt de zeventig euro die ze voor haar schandalig kleine kamer moet betalen een koopje. Op de tv kijk ik de film “Beverley Hills Cop” met Eddy Murphy helemaal af.
![]() |
|
Om zes uur ben ik terug in Mestre. Ik verken en passant de andere kant van de stad, Marghera geheten. Hier wonen de normale Italiaanse arbeiders en kantoorlui. Van enige toeristische activiteit dan ook geen spoor. Ik moet mijn povere Italiaans weer uit de kast halen om te kunnen bestellen in de cafés. In de grote toeristensteden is dat tegenwoordig echt niet meer nodig. Daar eet ik ook “Würstel” tegen een alleszins schappelijke prijs. Je mag hier wel nergens roken, dat valt me een beetje tegen in de volkskroegjes. Terug op mijn eenzame kamertje begin ik aan een nieuw boek, “Semana Santa” van de Britse schrijver / journalist David Hewson.
Op mijn dooie akkertje check ik uit. De halte voor de airportbus ligt
vlakbij, dus langdurig gesjouw met bagage is overbodig. Ook op het vliegveld
loopt alles gesmeerd. Ik ben verbaasd dat er zoveel dagelijkse vluchten
(meerdere per dag zelfs) naar alle mogelijke grote steden in Europa gaan. Die
vluchten zitten nog vol ook. De conclusie ligt voor de hand: Venetië is een
topbestemming!
Amsterdam ook trouwens, merk ik later als ik er aankom, hoewel wij ons dat als
Limburgers niet zo direct realiseren. Vooral bij Amerikanen, Japanners en jong
rugzakvolk (coffee shops!) is onze hoofdstad in trek. Ik blijf er echter niet
lang en spoor zo snel mogelijk door naar het zuiden, waar ik vroeg in de avond
aankom.

Meer beelden van carnaval? Zie onze
fotocollages!
|
|