AAN DE GROND IN LJUBLJANA

Tijdens een liftreis in 1971 door Oost - Europa (dat was althans de
bedoeling) waren we tot het Oostenrijkse Salzburg gevorderd.
Van daaruit zakten
we af naar het zuiden, richting Joegoslavië.
UIT ONS VERSLAG
Detlef de alpinist
"Al vroeg vertrokken we uit de Oostenrijkse muziekstad. Tien kilometer
buiten Salzburg kregen we een lift van een dikke linkse Duitse student in een
VW. In het hooggebergte stopten we enkele keren om de motor te sparen; Detlef
de Duitser was alpinist, beweerde hij. Via de Karawanken (gebergte tussen
Oostenrijk en Joegoslavië) bereikten we de grens. We moesten hier ergens de
wagen uit, want de krakkemikkige VW kon ons met al die bagage niet aan.
‘s Avonds bereikten we Bled, waar Detlef ons afzette. We aten uitgebreid en
goedkoop in een restaurant en betaalden met Duitse Marken, want we hadden nog
niet kunnen wisselen. Het duister was
inmiddels ingevallen en we probeerden onder een brug te slapen: de grote
hoeveelheid stront aldaar verdreef ons. Met enig geluk hielden we een auto aan.
Een militair of politieagent (dat weet je in dit soort landen eigenlijk nooit,
in ieder geval droeg hij een uniform en een pet) was zo vriendelijk om ons helemaal naar
Ljubljana te rijden. Of misschien wilde hij zijn vriendin die ook in de wagen
zat imponeren…
Korte stop in Sloveens Ljubljana
De militair zette ons in Ljubljana netjes af voor de camping en regelde het
onderdak voor ons (want de zaak was al gesloten!). Het was toen al ver na
twaalven. De volgende dag slenterden we wat rond door de toch wel aardige stad
Ljubljana. Clim moest enkele uren lopen om een nieuwe gasfles te kopen in een
gasfabriek. We badderden wat rond in het zwembad van de camping. We aten er ook
in het restaurant, waar we zeker anderhalf uur moesten wachten op uitvoering van
de bestelling. We maakten ondertussen kennis met een aardige Joego - jongen die
na het gesprek met ons naar de kunstijsbaan vertrok. (Later schreef die knaap
ons nog eens een hele brief in het Engels!)
|
LJUBLJANA WAS TOEN NOG
HOOFDSTAD VAN DE TOENMALIGE
DEELSTAAT SLOVENIË VAN JOEGOSLAVIË.
TEGENWOORDIG IS HET NOG STEEDS HOOFDSTAD,
MAAR NU VAN DE ZELFSTANDIGE REPUBLIEK SLOVENIË. |
Uren langs de weg
We waren grofweg op eenderde van onze geplande reis. We wilden verder naar
Istrië en Triëst in Italië. Urenlang stonden we de volgende dag langs de weg,
vergeefs. Het was bloedheet die dag. We trokken bijna alles uit en legden de
spullen op een bruggetje neer. We bemerkten dat zigeuners ook in Joegoland niet
erg geliefd zijn (ze werden er tenminste door lokale bewoners met stenen bekogeld!). Clim kaapte een
krat met bananen (peperduur daar) die van een vrachtwagen was gevallen en deelde
hele trossen aan aangenaam verraste voorbijgangers uit. Tenslotte hielp een
aardig meisje ons aan een lift. We laadden ons boeltje in een piepklein Fiatje
en met een jeugdige chauffeur aan het stuur ging het richting Dalmatische kust.
Ongeveer 60 km verderop bemerkten we dat Jos de kaartentas, (waarin ook al het
geld en de beide paspoorten en studentenkaarten in zaten) op het bruggetje had
achtergelaten. Boro Krivic, de chauffeur, was zo goed ons terug te rijden.
Alles weg: passen, geld...
De tas was uiteraard al verdwenen en bleef onvindbaar. Boro gaf ons het adres
van zijn moeder en wees ons de weg naar de universiteit, waar we min of meer
gratis in een studentenflat onderdak vonden. Ook wees hij ons het politiebureau
waar we ons elke dag dienden te melden. We waren toen zonder paspoorten dus
illegaal in Joegoslavië. Op het bureau sprak niemand enige buitenlandse taal,
daarom werd er op straat een vrouw opgepikt om te vertalen: zij had tijdens de
oorlog als krijgsgevangene in de buurt van Aken Duits geleerd. Men kon ons niet helpen en we werden
verwezen naar het Nederlandse consulaat, dat toevallig in Ljubljana was
gevestigd.
De consul bleek niet thuis, dus wij terug naar de universiteit. Jos was tijdens
dit alles opmerkelijk rustig en stil gebleven en werd overmand door
schuldgevoelens. Het was nu eens Clim was die alle zaken voortvarend regelde. ‘s
Avonds was de consul wel bereikbaar. Hij deed erg afstandelijk en sprak slechts
enkele woordjes Duits, verder alleen Serbo - Kroatisch. Hij stelde zich zo
non-coöperatief op dat Jos giftig werd en hem bijna naar de strot vloog. Hij
werd bijtijds door Clim in bedwang gehouden. We aten wat in de mensa van de Uni,
waar we betaalden met de losse dinars die nog in onze zakken zaten.
Bedelen om dinars bij Hollanders
De hele dag gewandeld. Geprobeerd losse guldens te wisselen bij Nederlandse
toeristen, wat na veel moeite (gesoebat over de juiste wisselkoers…) pas lukte.
In een warenhuis lieten we toen pasfoto's maken. We bezochten de gemeentelijke
kantoren voor een nieuw paspoort, c.q. visum of “laisser - passer” (daar stond
trouwens een Rotterdammer die men zijn hele hebben en houen, inclusief motor,
had gestolen), werden vaker door de plaatselijke politie weggejaagd omdat we op
de stoeprand zaten te wachten bij een aldaar geparkeerde Nederlandse auto. We
speelden op de binnenplaats van de universiteit met enkele kinderen een partijtje
basketball.
Nederlandse consul biedt hulp
Opnieuw gingen we op bezoek bij de consul die eindelijk contact had gekregen met
de Nederlandse Ambassade in Belgrado (die naar het Min. van Buitenlandse Zaken
in Den Haag belde; via de Roermondse gemeentepolitie werden onze ouders in
kennis gesteld. Broer Corné regelde toen de financiële zaken en stelde zich
borg), deden opnieuw het politiebureau aan: geen nieuws, het tasje bleef
spoorloos, we hadden niet anders verwacht. Welke Joegoslaaf gaat fl 1.000
aangeven, een bedrag waar hij in Joegoslavische tegenwaarde 3 maanden van kan
leven? We leden dorst, veel dorst, want ook nu was het weer 35 graden in de
schaduw, maar
we hadden geen geld voor biertjes. De terrasjes waren goed bezet en als
bedelaars bekeken we begerig de drankjes op de tafeltjes. ‘s Avonds slopen we
langs de rivier de Lai, waar nog bouwsels stonden uit het Habsburgse /
Oostenrijkse / Hongaarse Keizerrijk. Ljubljana heette toen Laibach en was
hoofdstad van Slovenië, het rijkste land van de Joegoslavische federale
republiek.
Treinreis: terug naar huis
‘s Middags kregen we bericht van de consul dat we konden vertrekken. Pas om 9
uur ‘s avonds vertrok een afgeladen trein naar het noorden. Veel gastarbeiders
bevolkten de coupés, terugkerend naar Duitsland. Ze hoorden met veel
belangstelling onze avonturen aan en wilden al met de pet rondgaan om ons
financieel een beetje te ondersteunen. Clim zat
naast een Libanese dame met wel 15 losse pakjes bij zich. ’s Nachts zeeg zij
snurkend op zijn schoot neer. Jos wond zich mateloos op over een argwanende
conducteur die ons officiële document (dat DM 70 had gekost) wantrouwde (“Jedermann
kann sagen: Ich bin Fritz!”, beet hij Jos toe bij het zien van de laissez
passer); ook ergerde hij zich op de Oostenrijkse douaniers die de gastarbeiders
als vee in een hoek van het station bijeen dreven."
Via München en Keulen bereikten we uiteindelijk gezond en wel (maar
behoorlijk platzak) onze thuishaven Roermond.

 |