|

NB De eerste twee dagen van mijn reis verbleef ik in de Italiaanse stad
Triest, even over de grens met Slovenië.
DAG 3
AANKOMST IN SLOVENIË
Het is maandag. Ik sta om 8 uur op, check een uur later uit en begeef me te voet
naar het station. De trein vertrekt stipt op tijd. Bij de grens met Slovenië
staan we lang stil, maar buiten gebeurt zo te zien niets. We rijden door het karstlandschap, waarvan door de mist niet veel te zien is. De trein is zoals
door de lokettiste reeds voorspeld bijna helemaal leeg. Ik had helemaal geen 1e
klas kaartje hoeven te kopen.
Als we Ljubljana, de hoofdstad van Slovenië, tegen twee uur binnenrijden herken
ik niets. Ook het station komt me helemaal vreemd over, hoewel ik daar met Clim
toch regelmatig in 1971 heb vertoefd . Er zijn geen tunneltjes, dus over de rails
springend bereiken we het hoofdgebouw waar ik koffie met slagroom bestel. De
prijzen liggen hier op een niveau van tweederde van die van Italië. Ik wissel €
100 om in tolar (Sloveense dollars!) Te voet ga ik de stad in, maar ook nu heb
ik niet zo snel succes met het vinden van een geschikte hotelkamer. Ik zwicht
uiteindelijk voor het dure Best Western Hotel Slon, dat € 80 voor een
eenpersoonskamer vraagt. Daar zit wel alles op en aan, met name het ontbijt is
bijzonder uitgebreid en de service daarbij is uit de kunst. Het personeel
spreekt allemaal drie of meer talen. Op de televisie kan ik meer dan 40 kanalen
vlekkeloos ontvangen. Ondanks al die kwaliteit besluit ik om zo snel mogelijk om
te zien naar een goedkoper onderkomen.
Om half drie ga ik het centrum verkennen. Het is koud en guur weer, maar
gelukkig regent het niet. Ook hier ademt alles kerstsfeer uit. In een cafetaria
nuttig ik pittige koffie (die is hier op zijn Italiaans, uitstekend dus) aan het
raam, waardoor ik de voorbijgangers kan observeren. De meeste zijn warm en
degelijk gekleed. Van armoede in de straten is geen enkele sprake. Dit land is
in mijn ogen wel geschikt om zich aan te sluiten bij onze Europese Unie, in
tegenstelling tot landen als Roemenië en Bulgarije, laat staan
Turkije. Net als in Trieste geeft de stad de indruk van een wat achtergebleven
Oostenrijkse provinciestad, de historie is nog voelbaar. De architectuur uit
vorige eeuwen versterkt die indruk nog eens. In de buitenwijken zijn echter nog
steeds de relicten van het voormalige Oostblok zichtbaar: afbladderende verf,
vervallen huizen, gaten in de straten.
Tijdens mijn omzwervingen ontdek ik even buiten het centrum een groot
toeristenhotel, het tweesterren hotel Park, waar ik voor een prijs van € 40
terecht kan. De kamer is veel groter, maar ook veel Spartaanser ingericht. Het
is een vierpersoonskamer, waar ik morgen in zal trekken. Bij Hotel Tourist kan
ik internetten. Bij de e-mail zit een bericht van Henk Theessink dat ik hem een
virus heb bezorgd. Ik mail terug dat dit onmogelijk is; later biedt hij mij zijn
excuses aan. Het was een worm die willekeurige adressen uit zijn adressenboek
kopieert en fake berichten verzendt. Ik zal op deze plek regelmatig terugkomen
om te internetten. Niets wordt me hier in de weg gelegd, ook al ben ik geen
resident van het hotel.
Op deze reis zal ik elke dag een keer of vijf cafeetjes of kavarna’s bezoeken;
deels om de kou buiten te ontvluchten, deels om te genieten van smakelijke
koffie en soms gebak. Zo ook vandaag. Ik ontdek dat er genoeg gelegenheden zijn
om even op je gemak uit te rusten. Vreemd vind ik het dat ik niets, maar dan ook
werkelijk niets tegenkom dat ik herken uit de periode in 1971 (met broer Clim) en 1981
(met Jos M.) Alleen de driedelige brug over de rivier komt me bekend
voor. Zou er dan zo veel veranderd zijn in deze stad?
DAG 4
ANDER HOTEL ZOEKEN
Vandaag verkas ik naar Hotel Park. Ik ga te voet, het is slechts een kwartier
lopen. Onderweg hoef ik maar een keer te stoppen om uit te puffen. Het inchecken
geeft geen problemen. Tot half twaalf blijf ik op mijn kamer en bestudeer het
boekje “Sloveens Op Reis” dat ik thuis heb gekocht. Deze taal lijkt erg veel op
het Russisch dat ik een beetje beheers. De uitspraak van de woorden is iets anders en het schrift
verschilt natuurlijk totaal: het Russisch wordt in het cyrillisch geschreven en
het Sloveens gebruikt gewoon ons westerse alfabet. Ik hoef het Sloveens echter
niet te gebruiken, want veel mensen spreken Duits of Engels. De jongeren onder
de dertig jaar spreken allen zonder uitzondering Engels en lijken daar trots op
te zijn.
De hele verdere dag breng ik in de stad door. Ik zwerf rond in de buurt van de
rivier, waarvan de oevers al eeuwen lang bebouwd zijn. De kaden zijn zo te zien
goed onderhouden. In de oude stad die onder aan de burchtheuvel ligt krijg ik
het gevoel alsof ik door Praag loop. Dit is echt Midden – Europa. De kou is
draaglijk, want er staat geen zuchtje wind. Als het begint te motregenen zoek ik
een kavarna op. Op het eind van de middag beland ik in de studentenwijk, in deze
buurt moeten Clim en ik in 1971 onderdak gevonden hebben. Eindelijk herken ik
iets van vroeger: de studentenflat waar we destijds overnacht hebben. In een
cybercafé mail ik met Clim en maak ik een praatje met de blonde studente op
leeftijd die er de scepter zwaait. Ook zij gaat prat op haar kennis van het
Engels.
De avonduren breng ik door voor de televisie. Ik ontvang lang niet zo veel
zenders als in het dure hotel de vorige dag, maar voor mij is het genoeg. Ik
kijk naar sport en naar een film met Clint Eastwood; ook zie ik een stukje van Kindergarten Cop met Arnold Schwarzenegger in de sympathieke hoofdrol.
(Inmiddels is de Terminator bevorderd tot de Governator: op 8 oktober 2003 werd
hij met een grote meerderheid gekozen tot de nieuwe gouverneur van Californië …)
Ik ga niet naar buiten om te eten, maar beperk me tot hompen brood met
sardientjes en lekkere stukken cake die ik in een warenhuis heb gekocht. Buiten
wordt af en toe al een vuurpijl afgeschoten.
DAG
5
KERSTMIS IN LJUBLJANA
Het is eerste kerstdag. Als ik na een buitensporig ontbijt buiten kom zijn de
straten echt uitgestorven. Alleen in de binnenstad loopt wat volk rond. Ik
bezoek het hooggelegen kasteel, waar men mij middels een virtuele tour de
geschiedenis van de stad voorschotelt. Vanaf de toren is weinig
uitzicht: te grijs en mistig. De vesting is opgeknapt, maar bijzonder
interessant kan ik hem niet noemen. Lange tijd blijf ik op de afgesloten veranda
van het restaurant hangen, daar is het behaaglijker dan buiten in de kou.
Terug in de stad ontdek ik een prachtige fin - de - siècle bar in Grand Hotel
Europa. Daar kan ik in stijl (prijzen op westers niveau) genieten van de
buitenlandse kranten. De pronte dienstertjes zijn er goedlachs en kunnen dus
rekenen op een ruime fooi mijnerzijds. Ik zal hier vaker terugkomen. Ik eet
ergens bij een Griek gyros (zijn die ook al hier? Italianen genoeg met hun
pizzeria’s, die had ik hier inderdaad wel verwacht.) en bezoek nog een stel
kerken uit de achttiende eeuw, beetje barokachtig dus. Bij het station vergaar
ik info over de treinenloop naar Kroatië, maar veel wijzer word ik niet. Ik
besluit gewoon op de bonnefooi te gaan en dus niet te reserveren. In een
Russisch orthodoxe kerk bewonder ik de honderden iconen aan de muur. Ik vind dat
ze eigenlijk allemaal veel te veel op elkaar lijken, vooral de gezichten lijken
volgens een enkel patroon te zijn geschilderd. Voor ik terugkeer naar het hotel
koop ik een halve haan die ik met smaak op de kamer zal verorberen. Voor het
eerst tijdens mijn reis begin ik aan een cryptogram. Ook hou ik mijn dagboek bij en
kijk ik naar een samenvatting van beroemde Europa Cup – wedstrijden.
DAG
6
KOFFIE IN GRAND HOTEL UNION
Om half elf ga ik van start. Het is Tweede Kerstdag en bitter koud, hoewel het
nog net niet vriest. Er staat wel een strakke bries die de gevoelstemperatuur
drastisch negatief beïnvloedt. De hele dag freewheel ik wat rond, waarbij ik
heel wat kerken bezoek en foto’s van verschillende kerststalletjes maak. Ik woon
zelfs een gedeelte van een mis bij! Regelmatig duik ik een kavarna in, met name
het Grand Hotel Union heeft aan mij deze dagen een goede klant. Als ik een
stekende pijn in de rug krijg, keer ik terug naar het hotel.
’s Avonds steek ik nogmaals mijn licht op bij het station over reizen naar Rijeka in Kroatië. Ik ben er niet helemaal gerust op. De bus blijkt geen
alternatief te zijn, die gaat pas ’s avonds laat en komt diep in de nacht in die
stad aan. Zo vind ik natuurlijk geen hotel, dus die optie verwerp ik. Ik besluit
met de trein te gaan. Ik sla een voorraadje bier in en begin op mijn kamer aan
een nieuw boek: De Catalaanse Brief van Robert Goddard.

TREINREIS NAAR KROATIË
Ik geef bij het hotel mijn bagage in bewaring en reken af. Daarbij wijs
ik een agressieve Yank op zijn nummer, omdat hij wil voorkruipen met zijn grote
bek. Urenlang zit ik in het café van Union tussen taartjes snoepende tantes
koffie te lurken en internationale kranten te lezen. Ik vertrek namelijk pas
tegen drie uur ’s middags naar Rijeka. Ik ben ingedeeld in een coupé met een Oostenrijks
yuppiepaar die naar de Kroatische kust gaan om een vakantiehuisje te
inspecteren. Er zit ook een oudere man van in de zeventig bij. Hij vertelt me
zijn levensverhaal in een ietwat harkerig Duits. Hij woont in Graz bij zijn
kinderen, maar heeft veertig jaar in Venezuela gewoond en gewerkt (als ingenieur
in de suikerindustrie). Geboren is hij echter in Sarajevo waar hij op een
christelijk internaat het gymnasium heeft gevolgd. Hij wil graag in het Spaans
praten, maar dat kan ik niet zo goed volgen: dan liever zijn gebroken Duits met
Oostenrijks accent. Hij blijkt ook in Argentinië gewerkt te hebben. We wisselen
ervaringen uit over dat land. Hij kan niet begrijpen dat zo’n in potentie
welvarend land naar de kloten gaat. Ik wel, denk ik: te veel corruptie,
nepotisme, wanbestuur en macho’s aan de macht…

|