|
Dag 7
Maandag 10 augustus
Vertrek : 11.15 uur / Aankomst: 24.00 uur
Route: Budapest Debrecen – Oradea – Cluj
Aantal kilometers: 400
Om half negen ontruimden we de tent en droogden alles. We wilden zo snel
mogelijk vertrekken. Ook in verband met de formaliteiten bij de campingreceptie
en de douane bij de Roemeense grens. Dat hadden we goed gezien, want we mochten
de camping niet verlaten: de slagboom bleef voor ons gesloten, omdat we geen
betalingsbewijs konden voorleggen. We hadden gehoopt Sandor te treffen, maar
iemand anders waarmee we geen illegaal contact hadden gehad stond zijn plaats.
Dus sloot ik me maar bij de rij wachtenden voor het loket aan. Na een uur
(altijd moet je in die pokkenlanden wachten, Schlange stehen, etc.!) was ik pas
aan de beurt. Het kostte me veel moeite om een en ander uit te leggen.
Uiteindelijk kregen we een stempel in onze paspoorten, hadden we die niet gehad,
dan waren we aan de grens ongetwijfeld aan de tand gevoeld over onze
verblijfplaats: tot overmaat van ramp reed Jos in zijn zenuwen ook nog bijna een
paal omver, hetgeen gelukkig door een alerte "kampwacht" (want als zodanig zagen
wij hen nu:) belet werd. Afijn, even na elf uur konden we vertrekken. Om 12 uur
waren we definitief de stad Budapest uit. Op ging het, door de poesta naar
buurland Roemenië.
Het landschap was erg eentonig. Aan de horizon konden echter steeds een andere
watertoren of waterput bespeuren. De wegen verkeerden er in uitstekende staat,
niet verwonderlijk in zo'n vlak land (vergelijk Holland). Een kilometer of 10
voor de gevreesde grens probeerden we in een wegrestaurantje (nou ja, laten we
het zo maar noemen…) zo veel mogelijk van onze nu overbodig geworden forinten op
te eten. Het restant van ongeveer f 10. tegenwaarde gaven we als fooi aan de
verbijsterde kastelein. Het eten was, het wordt net als het landschap, eentonig:
goed, goedkoop en veel.

Alle huizen en boerenerven
in Oost - Europa zijn omheind met houten schuttingen |
 |
Om 15.45 uur kwamen we bij de grens aan. Er stonden zowat 15 auto’s voor ons. We
dachten heel optimistisch er na een uurtje wel doorheen te zijn. Het was weer
snikheet. Geen spoortje schaduw te bekennen. Stapvoets naderden we de slagbomen.
Wat een bureaucratie, de hele drommelse boel was corrupt. Alle douaniers namen
openlijk cadeaus, sigaretten, kauwgom, bier en sterke drank aan. Gaf je niets,
dan konden ze wel eens moeilijk gaan doen en moest je nog langer wachten. Al
onze bagage moest er uit. Ook nu had de gastank hun speciale aandacht, evenals
losslingerende pakjes kauwgom en Kent. Plichtmatig werd geïnformeerd naar
mogelijk bezit van contrabande als de Bijbel, porno of drugs. De rest
interesseerde hen geen lor. In het kantoor werd ik van het kastje naar de muur
gestuurd in verband met visa en wisselen. Mijn stemming naderde het nulpunt.
Oost - Europeanen hadden beduidend minder last van de formaliteiten. Zij konden
achter een aparte rij aansluiten die zeer snel behandeld werd. Een andere
tegenvaller was de inmiddels gerevalueerde Lei, de munteenheid van Roemenië. Het
vorig jaar kreeg ik voor DM 100 op de zwarte markt 1200 Lei, bij de bank
officieel 700 Lei; nu kregen we officieel bij de bank slechts 400 Lei. Ik geloof
het nu nog steeds niet. Ze hebben ons gewoon opgelicht, een ander woord kan ik
er niet voor vinden, of het moet zijn "bezeikt". Pas om 20.30 uur konden we die
vermaledijde grens achter ons laten. Het begon al duister te worden. In Oradea
aangekomen bleken alle hoofd- en doorgaanswegen opgebroken of gesloten te zijn.
Een verfrissing in een bar langs de weg bleek evenmin mogelijk: men serveerde
alleen gedestilleerd, iets waar we geen behoefte aan hadden. We hadden behoefte
aan cola of fris bier: aan de grens hadden we in de brandende zon niets kunnen
drinken. Onze kelen voelde aan als schuurpapier. Ook een stuk verderop bij een
camping had men alleen wijn in de verkoop. Niets mis mee, maar nu effe niet! De
camping zelf had geen plaats meer, even te voren was er een bus Polen of zoiets
aangekomen. We maakten een praatje met de ober, een teleurgesteld man, die graag
had willen studeren, maar niet de kans kreeg. Hij sprak Frans.
We besloten gewoon
door te rijden zo lang dat mogelijk was om tenslotte hier of
daar langs de weg ons tentje op te slaan. De wegen waren erbarmelijk slecht. Ons
grote licht werkte niet. Het was buiten aardedonker. Onverlichte boerenkarren
kruisten regelmatig onze weg. Wegwijzers waren nauwelijks te bespeuren. Ook
zwierven er talloze zigeuners rond. Helemaal zonder gevaar was slapen langs de
weg volgens ons bepaald ook weer niet. We reden door tot in de buitenwijken van Cluj. Daar leek het wel oorlog te zijn geweest. Een stad van 200.000 inwoners
die geen licht afgeeft. Alles geblindeerd. Energiebesparing alom. Niets
vermoedend reden we door een wijk, die 's morgens een namaak Donderberg bleek te
zijn. Daar hadden we 's nachts niets van gemerkt. Even buiten de bebouwde kom,
in de buurt van een soort vuilnisbelt (dachten we) sloegen we provisorisch ons
tentje op; we wisten volstrekt niet waar we ons bevonden. Ik sliep de hele nacht
nauwelijks, ik voelde me helemaal niet op mijn gemak. Yusuf was na de lange rit
vermoeid: hij sliep de verdiende slaap der onschuldigen.

 |