|
Aankomst in Ploiesti
Na ons verblijf in de winterse, zuidelijke Karpaten reden we weer richting
Boekarest, vanwaar het gezelschap naar Istanbul vloog. Daar zouden zij enkele
dagen verblijven en excursies maken. Ik had die optie afgezegd, omdat ik in die
periode Marga en haar familie in Ploiesti wilde bezoeken. De bus reed speciaal
voor mij 10 kilometer om en zette mij in het centrum van deze middelgrote
provinciestad van 200.000 inwoners af.
Centrum van de stad
Allereerst verkende ik op eigen houtje de binnenstad. Dat was niet veel
soeps, want die werd vooral gedomineerd door industrie. Ik dronk ergens koffie
en had al direct de grootste moeite om me verstaanbaar te maken. Met wat Frans
en vooral veel gebaren kon ik uiteindelijk toch wat communiceren. Ik vond het
volk dat er rondliep nogal sjofel. Zeker de mannen met hun versleten leren
jasjes zagen er niet bepaald vertrouwenswekkend uit.
Onstuimige begroeting
Ik hield op straat een taxi aan, noemde het adres en liet voor alle
zekerheid nog eens het papiertje zien waar het op stond. De chauffeur knikte en
schoot als een dolleman weg. Na een wilde rit stopte hij in een van de
buitenwijken van de stad. Ik stond voor een slecht onderhouden flatgebouw en
vroeg me af wat mijn volgende stap zou zijn. Op een van de bovenste etages werd
echter al een raam opengesmeten en begon er een donkerharig, zuidelijke type
meisje uitbundig naar me te zwaaien. Dat bleek Angie te zijn, een vriendin van
Marga. Zij was al van mijn komst op de hoogte. Ik snelde naar boven en omhelsde
met Latijns temperament de hele familie, die op de drempel van de voordeur hun
opwachting stonden te maken. Marga stond er echter niet bij, zij was spoorloos.
Even later kwam ze toch te voorschijn en wel uit de badkamer, waar zij zich te
mijner ere had opgefrist.
Vergeefs wachten op luchthaven
Al gauw zaten we aan tafel, waar de verhalen loskwamen. Heel moeizaam moet
ik zeggen, want alleen Marga en ik spraken Frans (en dat ook nog eens niet al te
vloeiend), zodat alles vertaald moest worden. De familie had op zaterdag
urenlang tevergeefs op vliegveld Otopeni op mij staan wachten om me af te halen.
Door die vertraging hadden ze me gemist. Het was inmiddels maandag, maar dat
mocht de pret en de eetlust niet drukken. per slot van rekening was het Pasen en
dat wordt in Oost-Europa meer gevierd dan Kerstmis in West-Europa. De hele avond
zaten we gezellig aan tafel te keuvelen.
Samenstelling gezelschap
Met wij bedoel ik:
-
Vader Guta. Een echte staalarbeider, dus ruwe
bolster, blanke pit – type. Hij bleek goed op de hoogte van het reilen en
zeilen in de wereld.
-
Moeder. Een bemoeder type die ik al direct
vertrouwelijk als “mama” aansprak. Overbezorgd en uitstekende kokkin.
Hoewel, dankzij een baboesjka bleek later…
-
Angie. Een pittige jonge vrouw, spichtig en met een grote
haviksneus en bijzonder bazig. Zij had omgang met een Italiaanse amice, een
opschepperige vent Pluto genaamd.
- Marga. Een sappig blondje aan de mollige kant met
soms een sfinxachtige blik in haar ogen. Zij studeerde medicijnen aan de
lokale universiteit.
Ik zelf tetterde grote hoeveelheden wijn en voelde me beschaamd van zoveel
gastvrijheid te mogen genieten. Schuchter deelde ik cadeautjes uit: nylons,
panty’s, parfums en bokma en beantwoordde ik de nieuwsgierige vragen over
‘Holanda ‘van vooral de vader. Ik maakte enkele foto’s van het gezelschap, maar
die bleken na ontwikkeling allemaal wegens onderbelichting mislukt te zijn.
Laat naar bed
Met een dikke buik (drie keer gegeten met in totaal wel 10 gangen) en een volle
blaas (naar schatting 2 ½ ‘litro vinul’ soldaat gemaakt) werd ik naar de enige
slaapkamer geleid. De ouders zelf sliepen in een 69 – standje op een opklapbare
bedbank in de woonkamer, terwijl Marga bij Angie, die in dezelfde flat woonde,
ondergebracht werd. ‘s Morgens bleek er nog een persoon aanwezig te zijn en wel
een baboesjka; een oud vrouwtje die speciaal voor deze gelegenheid gehuurd was
om alles te koken en af te wassen. Die morgen hoorden we op het nieuws ook van
een zware explosie in een petrochemische fabriek in Pitesti, een vergelijkbare
stad niet ver hier vandaan. Bij die ramp waren naar schatting 50 tot 60
slachtoffers te betreuren, waaronder een aantal Franse technici. Mijn bedrukt
kijkende gastheer klom direct in de telefoon om na te gaan of er geen bekenden
onder de slachtoffers waren. Hij had zelf ook jarenlang in die aardolie - stad
gewerkt. Hij werd gerustgesteld, maar niet helemaal: immers in Ploiesti zou een
dergelijk incident met fatale afloop evengoed nog kunnen gebeuren.
Bezoek van Pluto Franco
De volgende dag kreeg Angie haar Italiaanse minnaar op bezoek. Hij heette Pluto
Franco en ontpopte zich als het prototype van een macho zuidelijke type: een en
al levendigheid met innemende maniertjes en voortdurend op de komische
versiertoer. Aanvankelijk was hij met zijn Alfa Romeo en zijn bravoure nog wel
te pruimen, maar naderhand toen hij mij in de wielen begon te rijden en zijn
dominantie gewoon vervelend en saai werd, begon ik een gruwelijke hekel aan hem
te krijgen. Steeds voerde hij in zijn Italo - Roemeens het hoogste woord; hij kwam
al vijf jaar in Roemenië, dus hij had wat van die taal opgepikt. Niet zo
moeilijk trouwens, want het Roemeens is sterk verwant aan het Italiaans. Omdat
ik beide talen niet beheerste, miste ik uiteraard de aansluiting en kwam ik in
de communicatie achteraan hobbelen.
Excursie naar de wouden
Enfin, met hem en zijn wagen konden we wel een uitstapje naar de bossen maken.
Het stelde in feite niet veel voor. Het was er steenkoud en er waren nauwelijks
paden te bekennen, want de sneeuw reikte tot aan onze knieën en daar was geen
van ons op gekleed. De hut waar we ons zouden kunnen warmen (en konden vrijen
maakte Pluto me met een knipoog duidelijk) bleek stevig op slot te zijn, zodat
we onverrichterzake naar de stad terug moesten keren. Toen verdween onze vriend
Pluto echter plotsklaps. Hij zou ergens zijn auto gaan parkeren, maar keerde
niet meer terug. Niemand wist waar hij uithing. Men was zelfs bezorgd over hem.
Onbetrouwbaar sujet
De volgende dag kwam hij doodgemoedereerd weer boven water. Hij verklaarde naar
Boekarest (dat is een uur rijden vanuit Ploiesti) te zijn geroepen. Met dit
smoesje zou zijn onbeleefde afwezigheid verklaard zijn. De meiden trappen daar
blijkbaar in en hielden hem zelfs een hand boven het hoofd: “Dulce Pluto!” werd
hij nota bene genoemd. Tjonge, ik kreeg steeds meer de schurft aan die
doorzichtige kerel. Hij beweerde werktuigbouwkundig ingenieur te zijn, maar daar
geloofde ik geen snars van. Hij sprak niet eens een woord Engels en maakte ook
niet bepaald een intellectuele indruk.

|