|
Maandag, 2 mei

LISIEUX / CÔTE FLEURIE
We verslapen ons een half uurtje, waardoor Jos zich niet
kan douchen, omdat we anders te laat bij het ontbijt verschijnen. Even na tienen
stappen we in de auto en rijden we naar Lisieux. We parkeren op de markt
tegenover de kathedraal, die we dan ook maar en passant bezoeken. Oud en
belangrijk, sober ingericht met weer die schitterende ramen, maar van buiten
minder te bekijken waard. We dwalen door de belendende tuinen van de bisschop
met zijn fonteinen en boompjes strak in het gelid. In de verte komt een dreigend
onweer opzetten.

Theresia van Lisieux

Theresia van Lisieux, doopnaam: Thérèse Martin,
kloosternaam: Thérèse de l' Enfant - Jésus et de la Sainte - Face (2
januari 1873 – 30 september 1897) is een Franse heilige. Haar
feestdag valt op 1 oktober.
Ze werd als Thérèse Martin geboren in Alençon.
Op haar achtste werd ze ernstig ziek totdat het Mariabeeld boven
haar bed naar haar glimlachte, waarna ze volledig genas. Al op jonge
leeftijd voelde ze dat het haar roeping was God te dienen. Ze was
uitzonderlijk vroom, maar stond ook bekend om haar gevoel voor
humor. Ze besloot in te treden bij de orde van de Ongeschoeide
Karmelietessen in Lisieux (Normandië), waar twee zussen van haar,
waaronder haar lievelingszus Pauline, al eerder waren ingetreden
(een derde zus zou later ook volgen). Op haar vijftiende trad zij
met speciale toestemming van paus Leo XIII daadwerkelijk in bij de
orde. In 1890 deed zij haar professie en in 1893 kreeg zij de zorg
over de novicen toebedeeld. Zelf wilde ze geen non worden, maar
altijd novice blijven. Op aanwijzingen van haar overste begint zij
in 1895 met het opschrijven van haar levensverhaal. Begin 1897 werd
tuberculose bij haar geconstateerd. Ze stierf op 24-jarige leeftijd
aan de ziekte.
Na haar dood vertelde een medezuster dat er
'niets bijzonders' over Théresia te vertellen was. Maar alhoewel
haar korte leven zeer geleidelijk verlopen was, wist ze door haar
diepe verbondenheid met Jezus het geloof heel dichtbij te brengen en
zeer intens te vertellen. Dit is mede de reden dat haar
autobiografie, Histoire d' un âme (het verhaal van de ziel), uit een
drietal manuscripten samengesteld en bewerkt door haar zuster Agnès
de Jésus, zeer populair is en in 40 talen is vertaald.
Op 29 april 1923 werd Theresia zalig
verklaard. Haar heiligverklaring volgde op 17 mei 1925. In 1997 werd
Theresia, als derde vrouw in de geschiedenis, door paus Johannes
Paulus II tot kerkleraar uitgeroepen.
Haar leven is in verschillende boeken
beschreven. Een bekende uitspraak van haar is: "Ik wil het rozen
laten regenen op aarde". Daarom wordt ze afgebeeld als karmelietes
met rozen in de hand. Ze werd de patrones van missionarissen en het
missiewerk. Ze is ook patrones van Frankrijk. Over Theresia van Lisieux zei Titus Brandsma:"Veelal verwacht men van een heilige iets
bijzonders, iets dat van het gewone afwijkt, iets dat men de poëzie
van een heiligenleven zou kunnen noemen. En nu ziet men het zo
prozaïsch gewoon, dat men er uiterlijk de heilige niet in ziet. Maar
dat is juist de ware heiligheid"
Om Theresia te onderscheiden van Theresia van Avila wordt zij ook wel "kleine Theresia" genoemd. Aan de rand van de
stad Lisieux is ter ere van Theresia een enorme basiliek gebouwd,
die door vele pelgrims en toeristen wordt bezocht. |
Te voet begeven we ons naar de Basiliek van de Heilige
Theresa van Lisieux die op een heuvel gebouwd is. Theresa, ene juffrouw Martin,
is nog geen eeuw heilig, maar heeft wel al een bedevaartsoord opgeleverd. Tot
onze verbazing is het er zeker niet druk te noemen. We kunnen alles op ons gemak
bekijken, ook de crypte die met zijn mozaïeken veel lijkt op een Byzantijns
bouwsel. Gebouwd in de jaren twintig van de vorige eeuw, dat kun je nog zien aan
de ‘art deco’ – elementen die hier en daar opduiken. Alle katholieke landen
hebben in de basiliek een eigen hoekje of kapelletje. Nederland moet het samen
met België doen. Peerke Donders en Titus Brandsma worden daar met name als
religieuze kopstukken van de lage landen genoemd. We lopen terug, drinken koffie
aan het plein en rijden verder.
Een eindje buiten Lisieux treffen we toevallig een Duits
oorlogskerkhof aan. Hert ligt er verlaten, maar wel goed verzorgd bij. Onder elk
kruis van rood graniet liggen vier Deutsche Soldaten begraven. Een tuinman is de
zaak aan het onderhouden. In totaal liggen hier 6700 Duitsers begraven. Via
smalle weggetjes, omzoomd door heggen, komen we opnieuw bij Lisieux aan, wat
natuurlijk niet de bedoeling is. We zoeken richting Pont de l’ Evêque (ja, van
die kaas) en Honfleur. Weer kleine weggetjes met veel hagen, waarachter enorm
grote landhuizen in Normandische stijl verscholen gaan.
HONFLEUR
PAREL VAN DE NORMANDISCHE KUST
Velen vinden dit
de leukste haven van heel Normandië. Het stadje dankt zijn faam aan
de leistenen daken, haar Vieaux Bassin en haar zondagsschilders. Je
kunt er flaneren langs de haven, door nauwe straatjes en oude,
pittoreske wijken die sinds de negentiende eeuw weinig veranderd
zijn. Ze zijn vaak vereeuwigd op schilderijen destijds, onder andere
door Eugene Boudin die uit deze buurt afkomstig was.
Het Vieux Bassin
werd in de 17e eeuw door Colbert (de bekende Franse
minister en econoom). De haven is omringd door hoge, smalle huizen.
Aan de ingang ligt Le Lieutenant, een soort bolwerk en de Porte de
Caen, het enige restant van de oude stadsmuur.
DEAUVILLE EN TROUVILLE
Deze tweeling
badplaatsen worden slechts door een klein stroompje van elkaar
gescheiden. Deauville is echter de mondaine badplaats die met haar
weelde en rijkdom pronkt, terwijl Trouville met zijn oude
vissershaventje e gezellige oude stad meer een familiale sfeer
creëert.
Deauville werd
pas in 1860 gesticht en straalt luxe en elegantie uit. Bewonder de
twee paleizen (Normandy en Royal) en het schitterende casino. Bekend
is ook het hippodrôme ofwel de paardenrenbaan, waar vele
Parijzenaars weddenschappen afsluiten op de races.
Trouville is veel
eenvoudiger, hoewel zich daar natuurlijk ook een boulevard bevindt
(de zogenaamde Promenade des Planches). En natuurlijk kan het stadje
zich eveneens beroemen op een casino. Bekend is verder het
Zeeaquarium.
Verder ten westen
van de Cote Fleurie ligt nog een plaats die historische bekendheid
geniet; Cabourg. Ooit bezocht door de vedetten en de hogere burgerij
(o.a. Proust die er over schreef), maar tegenwoordig meer voor de
simpele bezoekers doe zich met eenvoudige genoegens bezighouden
zoals vissen, zonnebaden, wandelen, vissen… |


Om half drie bereiken we Honfleur aan de kust. We worden
door tal van borden naar een betaalde parking geleid; het toerisme viert hier
duidelijk hoogtij. We slenteren rond het Oude Bassin (de binnenhaven) en maken
foto’s. De leistenen daken van de smalle huizen aan de waterkant geven de stad
een bijzonder karakter. Het is ons echter te druk en te toeristisch. We gaan
door langs de Côte Fleurie (de Bloemenkust). Het is een smal en erg bochtig
weggetje met links de hotels en pensions en rechts de strandjes en de zee. We
kunnen er eigenlijk nergens stoppen.
De wegen worden beter begaanbaar bij de zustersteden
Deauville en Trouville. We rijden er alleen maar doorheen, maar krijgen toch wel
een (weliswaar vluchtige) indruk van beide badplaatsen. Wel houden we een tijdje
rust in Villers-sur-Mer. Foto’s van het oorlogsmonument en de
negentiende-eeuwse, neogotische kerk van de beroemde architect Violet-le-Duc,
leermeester en grote voorbeeld van onze Roermondse bouw heer Pierre Cuijpers
(alweer: overweldigende ramen). We drinken koffie op een gesloten terras aan
zee. Buiten stortregent het. Veel badgasten zijn er nog niet, te vroeg in het
seizoen. Na frisdrank en zo in een supermarktje gekocht te hebben (per slot van
rekening moet Jos ook wat te drinken hebben), slaan we voor Cabourg af het
binnenland in, richting Caen. Dat ligt verder weg dan we denken: pas na zessen
komen we bij het hotel aan. Het avondeten gebruiken we uiteraard weer in
hotelrestaurant met naast ons een Hollands echtpaar waarmee we een praatje
maken. Op de kamer blijft Clim naar snooker gapen. Jos waagt het voor het eerst
sinds weken om zonder pleister op zijn operatiewonde aan zijn knie te gaan
slapen. De lakens blijken de volgende dag onbesmeurd.

 |