|
Het is zondag. De straten lijken wel uitgestorven. Ik heb zelfs een zitplaats
in de bus. In een gordijn van regen steek ik de grijze Bosporus over naar het
Aziatische gedeelte Üsküddar. Het blijft de hele dag door plenzen. Het lijkt wel
of de honderdén minaretten de hemel boven Istanbul hebben lek gestoten. Ik raak
tot op het bot doorweekt. Tegen beter weten in probeer ik vanaf de boot
sfeervolle opnamen te maken van de silhouetten van de skyline die de moskeeën
hebben gevormd.
Üsküddar is verbazend westers, dat zou je in Azië niet hebben vermoed. De
talloze winkelgalerijen bulken van welvoorziene kledingmodezaken en goud- en
juwelierswinkels. Hier kan alleen de gegoede en kapitaalkrachtige burgerij
inkopen doen. Alle soorten creditcards worden er geaccepteerd. Er is ook
groentemarkt. De hoog opgetaste vrachtwagens komen rechtstreeks van het
omringende platteland en hebben zich in een carré opgesteld. De kooplustigen
wachten gedisciplineerd in een rij op hun beurt, dat zie je hier niet vaak. Ik
doe er de ansichtkaarten op de post. Het blijkt dat er in Turkije, evenals per 1
januari bij ons in NL, in overheidsgebouwen een absoluut rookverbod is ingegaan.
Opnieuw valt het me op hoe strikt iedereen zich aan deze regel houdt. En dan te
bedenken dat zeker 60% van de mannelijke bevolking boven 12 jaar in Turkije
rookt!
 |
 |
Ik zwerf een tijd de stad rond. Ik bestel ergens soep en krijg een bouillon van
schapenpoten voorgeschoteld waarin wel tien teentjes knoflook zijn verwerkt, dat
is zelfs mij te gortig. Toch eet ik de soep op. Later in de bus merk ik dat de
heel wat Turken voor mijn adem terugdeinzen, ook al zijn ze wel wat gewend op
dit gebied.
Ik keer terug naar Istanbul. Achter de Egyptische Bazaar ontdek ik een rustig
hoekje waar ik geruime tijd thee zit te drinken. Het is een sectie waar vooral
lever, pens, nieren en ingewanden worden verkocht. Verder zijn er gore
handelskantoren en ondergrondse pakhuizen gehuisvest.
Als ik daarna verder de heuvel van Eminönü oploop stoot ik toevalligerwijs op
hotel Sipahi, waar Clim en ik in 1983 onderdak vonden. In de buurt liggen de
grote uitgeverijen met hun drukkerijen. De meeste straten liggen er in het
druilerige weer nog steeds verlaten bij. Af en toe schuifelt een toerist met
zijn ziel onder de arm voorbij of sluipt een kat langs de gevels. In de wijk
Laleli zit ik wel anderhalf uur van echte Turkse koffie te snoepen terwijl ik
cryptogrammen tracht op te lossen. Met een half oog volg ik een chauvinistische
sultanproductie op de televisie.
Om half vijf al is het duister. Ik eet ergens piliç (kip) met brood, spring in
de bus en blijf de rest van de avond op mijn kamertje, dat gelukkig goed is
verwarmd. Het is Oudejaarsavond. Ver weg ergens aan de Bosporus worden feesten
gehouden die voor iedereen toegankelijk zijn. Ook in de grotere hotels worden er
bals en galadiners gehouden, maar daar is de entree minimaal f 100. Ik toast op
mezelf met een wodka-soda. Voor het eerst in mijn leven maak ik Nieuwjaar mee
zonder het geweld van rotjes en vuurwerkgeknal. Zélfs in Tel Aviv hoorde ik
vorig jaar in mijn hotelkamer dof vanuit de verte een serie knallen. Het leken
op geweerschoten en één moment veronderstelde ik toen dat de Palestijnen een
grootscheepse aanval op de staat Israël hadden ingezet.....

 |