CONCARNEAU
DE BURCHT
De burcht, ingeklemd tussen vestingmuren met kantelen, is een ongeschonden
voorbeeld van historische militaire architectuur. De ommuurde stad, een van de
meest bezochte plaatsen van Bretagne, is helaas een deel van haar charme
kwijtgeraakt als gevolg van de toename van het aantal souvenirwinkels. Toch zijn
de smalle straatjes en oude huizen nog steeds bijzonder. Concarneau heeft
bovendien haar naam gegeven aan een groep schilders die, onder aanvoering van
Alfred Guillou, de vestingmuren van de sloop redden door ze in 1899 op de
monumentenlijst te laten zetten. Gauguin bezocht in 1894 de stad, een bezoek dat
eindigde in een vechtpartij op de kade. De stad heeft haar militaire rol allang
geleden ingeruild voor een vredelievendere activiteit, die bovendien voor
welvaart zorgde: de visvangst. Het ritme in de haven bepaalt dat van de stad
zelf, met het komen en gaan van de zeevisserssloepen, die na twee weken zo'n 15
tot 30 ton vis aan wal brengen. Concarneau is de grootste tonijnhaven van
Frankrijk en de derde haven voor de aanvoer van verse vis na Boulogne en Lorient.
DE OMMUURDE STAD
Voordat de stad een maritieme toekomst kreeg, was Concarneau (dat in het Bretons
'toevluchtsoord van Cornouaille' betekent) niet meer dan een onregelmatig
eilandje, 350 m lang en 100 m breed, dat dienst deed als schuilplaats in geval
van een invasie. In de 14e eeuw werd er een stenen omheining gebouwd die de
verdediging versterkte. De stad, vierde vestingstad van Bretagne, werd talloze
malen belegerd tijdens de Honderdjarige Oorlog en daarna tijdens de
godsdienstoorlogen. De vestingen werden gedurende dertig jaar door de Engelsen
belegerd, totdat Du Guesclin hen verdreef. De vestingmuren werden in 1451 weer
opgebouwd. In 1694 liet Vauban de laatste wijzingen aanbrengen die noodzakelijk
waren vanwege de ontwikkelingen in de aanvalstechnieken.
HAVENACTIVITEIT
Naast een uitgebreid garnizoen telde de stad een vissersbevolking die beschikte
over een tiental sloepen. De stad kwam economisch echt tot bloei in 1851, met de
opkomst van de eerste conservenfabrieken. In 1900 werkten er 2000 arbeiders in
30 fabrieken, op een bevolking van 7000 zielen. Tijdens de industrialisatie
breidde de haven zich uit en geleidelijk aan verlieten de rijke kooplieden de
binnenstad om zich buiten de stad te vestigen. Aan het begin van de 20e eeuw
verdwenen de sardinebanken uit het kustgebied. De bevolking, beroofd van zijn
belangrijkste bron van inkomsten, wachtte een moeilijk bestaan. Om de armste
vissers te hulp te komen, werd er in 1905 door kunstenaars een
weldadigheidsfeest georganiseerd, het 'Fête des filets bleus', dat nog steeds
jaarlijks plaatsvindt. Tegenwoordig haalt de stad haar inkomsten uit de
zeevisserij en de tonijnvangst in het bijzonder. Tonijn wordt gevangen tussen de
Azoren, Ierland en de Golf van Biskaje en tussen Afrika en de Seychellen.
Daarnaast wordt geld verdiend met de scheepswerven, koelhuizen en in de
voedingsmiddelenindustrie.
|