|
| |
DAG 5
BREST – ENCLOS PAROISSIAUX – KERJEAN - ROSCOFF – PLOUMANEC – KERNIC – BREST
FOTOCOLLAGE
De “enclos paroissiaux”, ofwel “calvaires
Vandaag bezoeken we ’s ochtends een drietal dorpen in de buurt (Guimiliau,
Lampaul-Guimiliau en Saint-Thégonnec, allen in het dal van de rivier de Elorn
gelegen) die zich onderscheiden door unieke uitingen van volkskunst en
vroomheid: de zogenaamde “enclos paroissiaux”, ook wel “calvaires” genoemd. Het
zijn omheinde grondstukken, waarin zich een kerk, een knekelhuis, een kerkhof,
een kapel en een monumentale toegangspoort bevinden. Ze zijn allemaal uitbundig
versierd met honderden realistische beelden en beeldengroepen; kortom
boerenkunst in graniet of zandsteen.
FOTOGALERIJ CALVAIRES
(Klik op een fotootje voor een vergroting.)
Honderden beelden, uitbundige versieringen
In de kerken vallen het doopvont, het koor, de altaarstukken, kruisbeelden, de
preekstoel, de schilderijen en de begrafeniskapellen op. Jos maakt er met zijn
digitale camera talloze opnames, wat genoeg zegt over het fotogenieke van deze
weinig bezochte bezienswaardigheden. Toch zijn we niet de enige bezoekers.
Druppelsgewijs worden we voorafgegaan of opgevolgd door andere geïnteresseerden,
vaak oudere stellen. Op een beschaduwd terras drinken we koffie in gezelschap
van een tam hondje dat Clim zijn koekje uit de mond bedelt.

CALVAIREDORPJES / ENCLOS PAROISSEAUX
SAINT-THÉGONNEC
De enclos paroissia van deze plaats (2300 inwoners) is een van de laatste
getuigen van de Bretonse voorspoed in de 17e eeuw. Lodewijk XIV zou de
afschaffing van het Bretonse linnen - monopolie bewerken en de Hollandse en
Engelse handel lamleggen. Bretagne verloor zo veel inkomsten. Maar voor het
zover was, zette de parochie van St-Thégonnec nog een klein wonder op. Alleen al
de triomfpoort uit 1587 frappeert door de monumentaliteit, vorm gegeven door het
bouwatelier van Kerjean. Het laatstgenoemde kasteel heeft bewerkte schoorstenen
die min of meer terug te vinden zijn in de triomfpoort. God zelf verwelkomt de
bezoeker vanaf de middelste topgevel. De Bretonse inscriptie op het fries naar
de enc1os toe luidt vrij vertaald: 'Heilige Moeder Maria, Gij onze toevlucht,
sta ons bij, wij smeken U, Gij hoogste voorspraak der zondaars'.
De calvaire is ingetogener en doet zwaarder aan in de kruisen dan in het eronder
liggende, rechthoekige blok Twee ruiters flankeren hoog in de lucht de
gekruisigde Christus. Net daaronder kijken Maria, Petrus en Johannes naar het
knekelhuis. Aan de achterkant komt Maria nogmaals voor vergezeld van de Bretonse
heilige Ywein. Een beeld van Saint Thégonnec is veel lager in een nis te vinden.
De Bretonse Renaissance krijgt opmerkelijke details in de beeldengroepen op de
soldeel. Aan de noordelijke zijde schittert een fraaie lijdensweg van Christus.
Vriend en vijand van de Heilige Zoon zijn direct herkenbaar door de gezichten:
de vertrokken grimas van een soldaat, de smartelijke mimiek van Maria.
Van grotere waarde dan de calvaire is de vrij laat tot stand gekomen ossuarium
(1676). De gotiek is dan allang vervangen door de Renaissance. Architect Jean Le
Bescond tekende voor het geheel. Het plechtige bouwwerk heeft niets meer van de
beenderhuizen zoals ze decennia eerder te zien waren. Het is een paleisje
geworden. Frontons, Corinthische kapitelen en met schelpen gevulde nissen geven
de ossuaire een sierlijk cachet. De Graflegging (1699) binnen is van de hand van
Jacques Lespagnol de Oudere. Meer subliem snijwerk van hem en zijn zoon is in de
nabijgelegen kerk te vinden. De Église wordt betreden door een
renaissanceportaal uit 1625. Boven de kerk rijst een toren op die zo uit de
enc1os van Pleyben kon zijn geplukt. De laatste is dan ook als voorbeeld
genomen. De voorhal van de toren heeft nog een gotisch ribgewelf. Ook de lange
ramen van de toren herinneren aan de Normandische gotiek. De rest is zuivere
Renaissance. Koepeltjes en lantaarns wisselen elkaar af boven ritmische
kroonlijsten. Ze maken dat de stoere toren toch een enigszins luchtig aanzien
krijgt. Schip en koor krijgen pas een extra dimensie in het houtsnijwerk dat ze
bevatten. Vader en zoon Lespagnol hebben het Retable du Rosaire vervaardigd. In\
de medaillons zijn de geheimen van de rozenkrans uitgebeeld. Ook Saint Pol heeft
een plaatsje op het altaar gevonden. Aan zijn voeten ligt de draak, het symbool
van het overwonnen heidendom. De kuip van de preekstoel wordt toegedacht aan de
broers Lerrel (1683). Hier staat de bezoeker voor een van de geslaagdste
voorbeelden van 17e-eeuws houtsnijwerk. Op de hoeken ondersteunen de
hoofddeugden de prediker. De wanden tonen basreliëfs. Een tafereel laat zien hoe
God de stenen tafelen aan Mozes overhandigt. Op het dak nestelt een engel die
zijn trompet heft om de dag des oordeels aan te kondigen.
|

LAMPAUL-GUIMILIAU
Dit plaatsje (2100 inw.) is een van die schitterende parels aan het snoer van
Léons 'enclos paroissiaux'. Anders dan het buur dorp Guimiliau met zijn
fenomenale calvaire, blinkt deze schakel van glitterend kerkgoud. Het interieur
en de toren van de Église zijn zeer de moeite waard. De toren is onmiskenbaar
een kopie van de beroemde Kreisker - toren (St. Pol – de -Léon). In 1809 schoot
een bliksemflits het puntje weg. Het zuidelijke portaal (1533) van de kerk
herbergt traditioneel de beelden van de apostelen. In een nis strijdt Saint Pol
met de draak van het heidendom. Bij de sacristie is een opmerkelijke trap te
vinden. Maar het is voornamelijk het interieur waarom de kerk boeit. Links van
het koor staat het passiealtaar.
Rechts is een aan Johannes de Doper gewijd altaar te zien, ook uit de 17e eeuw.
De 'poutre triomphale', een gebeeldhouwde balk boven in het schip, is voorzien
van een kruisbeeld. In het doopkapelletje in de rechter transept-arm
ondersteunen acht pilaren een baldakijn uit de 17e eeuw. De linker transept-arm
bevat een uit één eikenstam vervaardigde figurengroep van vijf in- en intrieste
mensen rond het levenloze lichaam van Christus. Hemel en hel baden in hetzelfde
water, getuige de duiveltjes op het wijwatervat. Een bonte, barokke rijkdom, die
heel anders is dan de soberheid van de calvarie buiten. Het knekelhuis dateert
van 1667. Het bevat ook een doopvont, alweer een met een baldakijn overdekt
Bretons houtsnijwonder uit 1650.

GUIMILIAU
In de zeer fraaie enclos paroissial van Guimiliau (8oo inw.) is de mengeling van
late gotiek, Renaissance en barok aanwezig. Vooral de calvarie en het interieur
van de kerk hebben onmiskenbare kwaliteiten. De porte triomphale is vrij sober
uitgevoerd. De zware poort geeft toegang tot het kerkelijke terrein. De
zuidelijke façade van de kerk sluit de ruimte af, rechts domineert de
calvarieberg, waarachter het knekelhuis klein en onbetekenend lijkt. De calvaire
dateert van het einde van de 16e eeuw. Hij is in zeven jaar gebouwd op een
achthoekig grondplan dat aan vier zijden met steunberen wordt verlengd. Er zijn
twee registers boordevol sculptuur, een drukke werveling van Bijbelse figuren.
En van een enkele plaatselijke dame, zoals Katel Gollet die op een hoek met
behulp van een drietand de hel in wordt gejaagd. De helpers van de duivel
trekken haar aan de ledematen de bek van het hellemonster binnen. De zware
borsten van Katel illustreren de erotiek waarvan de dame zich zou bedienen om
haar minnaars aan zich te kluisteren. Een van die minnaars, de duivel, bracht ze
een heilige hostie. Te veel van het goede, haar straf staat in steen
uitgebeiteld. Dit alles ter waarschuwing aan de jonge maagden van het 16e-eeuwse
Guimiliau en omstreken. Tussen Dorische zuilen staat Saint Pol opgesteld met
boven hem de wederopstanding. Daarachter en -boven prijkt het centrale kruis. De
overige twee kruisen zijn verdwenen. Maria, twee apostelen en Saint Yves rechten
de ruggen net onder de gekruisigde Christus. Op de hoekvlakken van de steunberen
staan de evangelisten met hun symbolen afgebeeld. De graflegging en de
besnijdenis vormen rustpunten in het drukke geheel. Hier en daar is het graniet
behoorlijk verweerd, witte plekken schemeren door de figuren die veelal in
16e-eeuwse tooi hun Bijbelse functies symboliseren.
Een ritmischer aanblik geeft het erachter gelegen knekelhuis. Deze Chapelle
funéraire dateert van 1648 en is in een gedegen renaissancestijl uitgevoerd. Het
bouwwerkje heeft de buitenpreekstoel behouden. Van de Église St. Miliau gaat de
klokkentoren het verst terug in de tijd, naar het begin van de 16e eeuw. De
granieten pinakels mogen boeien, maar kunnen de aandacht niet zo lang vast
houden als het fraai gebogen portaal (1606-1617) met archaïsche sculptuur.
Tussen de boogpijlers rusten een beminnelijke Adam en Eva naast Bijbelse scènes
als Noach’s ark en de geboorte van Christus. Boven het driehoekige afdak staat
het beeld van Saint Meliaw (Miliau). Onder de boog scharen beelden van apostelen
zich aaneen. Het interieur van de kerk frappeert door het houtsnijwerk. Zo
pronkt links van de toegang een baldakijn dat het bekken van een 17e-eeuws
doopvont overkoepelt. Het gesneden eikenhout is in monumentale volumes aanwezig.
De barokke vormentaal is overdonderend. Het baldakijn, waarop 16 Bijbelse
figuren plaats hebben genomen, rust op gedraaide pilaren. Preekstoel en
koorgalerij zijn niet minder rijk gedecoreerd. Vier engelen ondersteunen de
17e-eeuwse preekstoel. De orgeltribune is even oud. Op haut-reliëfs worden
Bijbelse figuren met muziekinstrumenten verbeeld, zoals David met zijn lier. De
tegen elkaar geplaatste altaren van Saint Joseph en de patroonheilige Miliau
sprankelen met heldere kleuren. Beide zijn 17e-eeuws. Al het houtsnijwerk rust
in een decor van Bretonse flamboyant - gotische architectuur, hier en daar
aangelengd met renaissancekunst. |


|