In Zichem wordt gestopt om op een pleintje met kiosk een sigaretje te roken
en de sfeer van de Witte te proeven. Alles verwijst er naar de schrijver Ernest
Claes en zijn boeken. De kerk is oud en plomp en kan ons niet bekoren.
GESCHIEDENIS
Omstreeks 1000 was het grondgebied van het huidige Hageland verdeeld over
vier rechtsgebieden: het graafschap Leuven, het graafschap Aarschot, de heerdij
Diest en het graafschap Brunengeruz. In 1212 moet Zichem reeds een hele
agglomeratie geweest zijn, want de Brabantse hertog Hendrik I vermeldt het als
één van de vroeger gestichte steden, hetgeen betekende dat ze een eigen bestuur
hadden.
In 1386 verstevigde de heer Reinier van Schoonvorst de Jonge de wallen en bouwde
de burcht. Binnen de muren bevond zich een lakenhalle die het verhandelen van
het laken moest verbeteren. De Zichemse economie steunde toen op deze
lakennijverheid, en op veeteelt. De stad had drie toegangspoorten: de
Driessepoort in het zuidwesten, de Diestersepoort in het zuidoosten en de
Dijkerpoort in het noorden. De grote gracht die rond de stad vloeide, werd
gevolgd door de Demer. De oude Demer belette invallen uit het noorden. De
vestingen waren 35 tot 40 meter breed. Tussen de oevers van de grachten en deze
wallen was een strook grond van 10 meter. Binnen de stadsmuren bevond zich dan
de burcht, zodat het geheel een betrouwbare en veilige vesting vormde. Zichem
zelf geraakte omstreeks 1440 in verval. De bevolking, die in 1437 nog 2400
mensen telde, viel terug tot 750. Vele Zichemnaars trokken weg, de streek werd
geteisterd door overstromingen en ziekten.
In februari 1578 beleefde Zichem de zwaarste dagen uit haar geschiedenis.
Alexander Farnese liet zijn soldaten in de richting van Diest vertrekken om uit
te rusten. Toen ze in Rillaar aankwamen, vernam Farnese, dat de stad Zichem (het
bolwerk van Oranje), eigendom van Willem, de leider van de"geuzen" zich verzette
tegen de overgave. Farnese beval dat Zichem moest vallen vóór de legers naar
Diest trokken. Hij beloofde dat bij weigering van overgave, er geen levende ziel
zou overblijven. Zichem weigerde zich over te geven. De commandant van de stad;
de Antwerpenaar Jan van Lier antwoordde: Wij hebben alles om ons te verdedigen,
en zullen niet buigen voor de troepenmacht. Het verzet moest dan maar
gewapenderhand gebroken worden. Farnese stelde zijn troepen op aan de
Driessepoort en viel tegen de middag aan. Maar hij stuitte op hevig verzet,
geraakte toch de stad binnen en moordde het grootste deel van de bezetters uit.
Vrouwen en kinderen werden gespaard.
Een 200-tal soldaten van het Zichemse garizoen konden aan de moordpartij
ontsnappen en zich verschansen in de burcht, waarvoor ze een aarden wal hadden
opgetrokken. Die werd door de soldaten en Farnese zelf afgegraven. 150 soldaten
trachten de Demer over te steken, maar werden door de achtervolgende Spanjaarden
afgemaakt. De burcht werd door de Spanjaarden ingenomen, en gedurende de ganse
nacht werden de Zichemnaars op wreedaardige wijze vermoord. Sommige bronnen
vertellen dat de soldaten met een hamer gedood werden en daarna twee aan twee in
de Demer geworpen.
Waarom Farnese zo gewelddadig optrad in Zichem, is niet helemaal duidelijk. Voor
of na de plundering van Zichem heeft hij nooit zo brutaal opgetreden. Was het
een voorbeeld voor de andere steden die zich wilden verzetten? Diest en
Zoutleeuw wilden het lot van Zichem niet ondergaan en gaven zich gewillig over
aan de Spanjaarden. In 1578 brak ook nog een pestepidemie uit, alsof de
slachting nog niet genoeg was geweest.
Datzelfde jaar viel een bende baanstropers Zichem binnen; ze mishandelden de
bewoners en plunderden de stad.
In 1580 teisterde een aardbeving onze contreien, met als gevolg dat een deel van
de burchttorens instortte. Toen vielen ook nog eens de geuzen de stad binnen en
richttten tal van verwoestingen aan. Onder getier en gezang hielden zij de
mensen te gek en te spot.
In 1583 heroverden de Spanjaarden de stad, de vluchtende geuzen brandden de
Heilige-Geestmolen af en Godefriedus van Thienwinckel, pastoor van Zichem,
keerde na een ballingschap van drie jaar terug naar zijn parochie, en vond zijn
kerk vol stro, vuiligheid en stukgeslagen beelden. In 1584 werden de mensen door
belastingen en afpersingen uitgebuit. Velen stierven van ontbering bij gebrek
aan voedsel. Enkele leefden van kruiden en geronnen kaas. In 1599 veroverden de
geuzen nogmaals de stad, stalen 200 koeien en paarden en brandden de stad af.
Deze eeuw van oorlog, ellende en epidemieën betekende de doodsteek voor de
Zichemse economie. In 1577 waren er nog 274 gezinnen, in 1592 bleven er nog 26
over. Godefriedus van Thienwinckel heeft dit alles gedurende zijn herdersambt
van 38 jaar beschreven in 't Latijn. Hij was het die als eerste de Mariaviering
op gang bracht en aan het hoofd van zijn parochianen naar de heuvel van de
mirakelen trok, om er te bidden en steun af te smeken voor zijn pelgrims,
slachtoffers van hervormingen, geuzen en plunderende soldeniers.